Column van Gea

Geloven is volhouden

In de 40 dagen voor Pasen stond de Hebreeën brief op het leesrooster.
Een bijzondere brief.
Enig in zijn soort.
Want geen enkele brief gaat zo uitvoerig in op de betekenis van Jezus in verhouding tot de tempeldienst.
Bij de evangelisten vinden we wel verwijzingen naar de tempeldienst, zoals in de woorden van Jezus over het ‘nieuwe verbond door mijn bloed’ .
Of in de woorden van Jezus over het afbreken van de tempel en het opbouwen daarvan, in drie dagen.
Of over het scheuren van het voorhangsel in de tempel, wanneer Jezus sterft.
Opvallend is ook dat Lukas zijn evangelie laat beginnen in de tempel (met Zacharias) en daar ook mee eindigt (de leerlingen blijven bijeen in de tempel).
Kortom, verwijzingen naar de tempeldienst zijn er zeker, maar alleen in de Hebreeën brief staat deze centraal.

De Hebreeënbrief is geen eenvoudige brief.
De brief duikt diep in de tempeldienst.
Voor de gemiddelde kerkganger is dat niet eenvoudig.
Daarbij komt dat de offergedachte, de dood van Jezus als offer voor onze zonden, niet onweersproken is. Er is in de kerk, nog niet zo lang geleden, veel strijd hierover geleverd. Juist rond het leerstuk van de ‘verzoening’ is veel gevochten!
Problematisch is dat dit leerstuk los is komen te staan van andere aspecten van het leven van Jezus. Alsof met de verzoening alles is gezegd over Jezus. Andere aspecten, zoals het overwinnen van kwade machten door Jezus of de omkeer van de gelovigen zelf, lijken dan niet mee tellen. En dan is er nog het gelijk hebberige toontje in de brief.

Toch werd ik door de brief gegrepen.
Ik werd gegrepen door het enthousiasme.
Het enthousiasme over het nieuwe van Jezus.
Het onvoorstelbaar nieuwe.
Nog nooit vertoond.
En dan uitgedrukt met woorden en beelden die je nergens anders vindt.
De schrijver gebruikt het unieke beeld van Jezus als de hoogste hogepriester.
Jezus is namelijk hogepriester in de hemel en verdient daarom alle eer.
De brief begint dan ook met een lofprijzing en eindigt ermee.
Die lofzang mag ook niet onderbroken worden, staat in de brief.
De Oosters Orthodoxe kerken hebben dit goed begrepen.
In hun erediensten wordt van begin tot eind gezongen.
Net als de engelen in de hemel doen.
De eredienst van deze kerken weerspiegelt die hemelse eredienst.

Het eerste dat opvalt in de brief is deze lofzang op de hoogste hogepriester.
Toch is dit niet het enige.
Er is ook sprake van zorg.
Er is zorg dat de gelovigen niet blijven bij het geloof in Jezus, maar terugvallen in oude rituelen of wegblijven bij de samenkomsten.
In de brief vinden we daarom de oproep te volharden in het geloof.
De schrijver roept ook op te volharden in het doen van goede werken en op weg te blijven gaan naar een ‘beter vaderland’.
Kortom, de brief loopt over van enthousiasme, maar er is ook ‘beproeving’.
Er ontbreekt nog iets.
We zijn op weg naar de stad van God.
Kortom, de schrijver kijkt in lof en aanbidding, maar ook in volharding omhoog naar de hemel en vooruit , naar de toekomst van God. De hemel en het betere vaderland zijn twee verschillende beelden voor het op weg zijn.

Lofzang en volharding.
Die twee woorden vatten de brief aan de Hebreeën samen.
En volharding is dan niet gewoon doorzetten, tanden op elkaar.
We hebben een hogepriester in de hemel die ‘met onze zwakheden mee kan voelen, omdat hij, net als wij, in elk opzicht op de proef is gesteld’ (Hebr. 5 vers 15).
Kortom, de lof en de volharding vinden hun oorsprong niet in ons, maar in de hemel.

Meditatie De Kerk Roept november 2015

Een beker water

Als ik ergens op bezoek ga, dan krijg ik vaak iets te drinken aangeboden.
Ik herinner me nog die keer dat ik alleen zin had in een glas water. Dat kreeg ik toen ook, maar wel in een heel mooi oud glas. Het beste servies kwam uit de kast.

Jezus zegt tegen zijn leerlingen, dat als iemand hen slechts een beker water geeft, omdat ze bij hem horen, die persoon zeker beloond zal worden (Marcus 9, 41).
Er staat niet bij door wie. Dat moet je tussen de regels door lezen, maar de goede verstaander weet wie bedoeld wordt. Die man of vrouw wordt beloond door God zelf.

Vandaag staat het rapport van de generale synode ‘Kerk op weg naar 2025’ in de belangstelling. Plaatselijk, maar ook landelijk moeten de bakens worden verzet. We zijn er druk mee om ons als kerk aan te passen. Er wordt met ‘Kerk 2025’ gezocht naar een lichtere structuur voor de kleiner wordende kerk, landelijk, regionaal en plaatselijk. Een goede zaak, want we zijn samen kerk.

Alleen waar blijft die beker water? Er zijn mensen die nooit in de kerk komen. Mensen die soms niet eens weten wat ze met het geloof aan moeten. Toch laten ze je binnen. Geven je te drinken. Ook daar is de kerk. Ook daar is God.

Kerk is niet alleen de groep van vaste kerkgangers. Kerk is ook waar iemand je, omdat je bij Jezus hoort, een beker water geeft.

De kerk wordt kleiner en daar zijn we druk mee. Dat kan moeilijk anders. Toch is er ook een kerk die we vaak over het hoofd zien. Het is de kerk van degene die slechts een beker water geeft aan wie bij Jezus horen. En dan vraag ik me wel eens af: Wordt de kerk wel kleiner?

ds Gea van der Velde

Overdenking De Kerk Roept December 2014

 

‘Gelukkig de mens die (…) zich verdiept

in zijn wet, dag en nacht.’ (Psalm  1)

 

Een psalmboek uit Utrecht

 

Het oudste psalmboek van Nederland, het Utrechts Psalter,  komt in mei volgend jaar op de wereld erfgoedlijst van de Unesco. Dat is een  lijst met de grootste schatten uit onze cultuur.  ‘Das Kapital’ van Karl Marx en het  dagboek van Anne Frank staan bijvoorbeeld ook op die lijst.

Toen ik twee weken geleden dit bericht in de krant las, kwamen herinneringen boven aan mijn Utrechtse studententijd en aan de tentoonstelling die er toen was over dit beroemde psalmboek uit  circa 820. Het Utrechts Psalter wordt wel ‘het mooiste boek van Nederland’ genoemd vanwege de opvallende pentekeningen. De tekeningen bij de psalmen zijn namelijk bijzonder levendig en niet langer stijf en star, zoals daarvoor. Het psalmboek, uit de tijd van Karel de Grote,  werd ook een voorbeeld voor geïllustreerde psalmboeken van de eeuwen daarna.

Nu gaat het Unesco om die pentekeningen.  In de krant las ik echter ook nog iets anders. Eén van de kenners vertelde, dat het psalmboek vooral een politieke boodschap had. Het psalmboek is namelijk gemaakt in opdracht van de aartsbisschop van Reims om de vorsten van zijn tijd een voorbeeld te geven. In Psalm 1 gaat het bijvoorbeeld helemaal niet over een koning.  Toch wordt er een koninklijke figuur bij deze Psalm getekend die, in zijn prieel en onder bescherming van een engel, de wet van God bestudeert, dag en nacht (zie tekening).

Dat van die politieke boodschap was nieuw voor me: een koning die de wet van God bestudeert. Mijn eerste reactie was:  Is dat niet teveel kerk en politiek door elkaar heen? Maar vooral vroeg ik me af: Bestaat dat? Een koning (een vorst, een wereldleider) die zijn hoofd buigt voor de wet van God? Die niet uit is op zijn eigen macht? Bestaat het dat mensen niet uit zijn op hun eigen macht, maar alleen God zoeken en de naaste liefhebben als zichzelf? Want dat is in een notendop de wet van God. Alleen, bestaan die mensen? Zijn die niet kansloos? Een dankbare prooi voor anderen?

De tekeningen zijn niet alleen levendig, maar ook scherp getekend in dit oude boek. Er wordt niets aan de fantasie over gelaten. De weg van de goddeloze loopt dood. En alleen de weg van de godvrezende brengt zegen. En ook dat roept vragen op. Want ligt het zo simpel? Aan de andere kant, wilde de bisschop van Reims op deze manier de mensen, de vorsten en leiders voorop, aansporen om vooral die ene weg  te gaan? De ware koning is immers geboren in een nederige stal.

ds Gea van der Velde.

 

Paasbrief 2014

Borderline times

Bij de kapper lees ik altijd zulke interessante dingen. Zo las ik een paar weken geleden in een tijdschrift een interview met de Belgische psychiater Dirk de Wachter over zijn bestseller Borderline times.  In grote letters stond bij het artikel afgedrukt ‘We moeten weer leren een beetje ongelukkig te zijn.’

We leven in een tijd, aldus die De Wachter, waarin we (allemaal!) denken dat we recht hebben op geluk, eindeloos veel geluk of veel kicks. We zijn niet meer gewend te leven met ongeluk. We zoeken juist de uiterste grens op van ons geluk. Met een Engels woord noemt hij dat Borderline times (border betekent grens).

Het artikel zette me aan het denken. In mijn werk verwonder ik me er vaak over hoe mensen kunnen leven met ongeluk. Ik heb er altijd veel respect voor.  Ik denk zelfs dat het omgaan met verlies of ongeluk een belangrijk kenmerk is van ons leven.

Aan Pasen gaat altijd een vastentijd of veertigdagentijd vooraf.  Het wordt ook wel de lijdenstijd genoemd. Pasen is onder ogen zien dat veel niet lukt of niet is gelukt en ontdekken dat er toch toekomst is.  Hoe dat kan? Dat er na een ongeluk of na een verlies toekomst is? Niemand begrijpt dat. Het is iets om je over te verwonderen.

Ongeluk hoort bij ons leven. Daar mee leren omgaan en je verwonderen dat je dat kunt, al is het met vallen en opstaan, is één van de kenmerken van ons leven.

Ik wens u namens de beide kerkenraden en namens pastor Kees Vernooij veel verwondering toe  met Pasen en ook daarna.  U bent van harte welkom bij de activiteiten rond Pasen.

 

ds Gea van der Velde

(Pasen 2014)

 

‘We shall not be moved’

Vlak voor mijn vakantie kwamen groep 7 en 8 van de basisschool naar de kerk. Voor een bezichtiging van de kerk en vooral voor de klim in de toren. In een kring rond de avondmaalstafel gingen ze zitten en nadat de paaskaars was aangestoken door één van de kinderen vertelde Ineke Somsen (docent Geestelijke Vormings aan de basisschool  ‘De Wiekslag’) over kerken en andere heilige plaatsen en over mensen die deze kerken/plaatsen bezoeken op hun levensreis, elke zondag of tijdens een pelgrimstocht.  Daarmee gaf Ineke een mooi inkijkje in haar lessen en hoe ze de kinderen en hun leven daarbij betrekt. Daarna gingen we zingen. Eén van de liedjes was ‘We shall not be moved’.  Oorspronkelijk is dat een negro-spiritual, een lied van de slaven om moed en geloof te behouden en niet verontrust te zijn in benarde omstandigheden. De kinderen deden enthousiast mee, want één van de specialiteiten van Ineke is het zingen met de kinderen.  Daarna mochten de kinderen mij allerlei vragen stellen. Heerlijk! Eén van de kinderen had echter geen vraag. Hij keek mij ondeugend aan en zei alleen dat hij ‘niet geloofde’, omdat het scheppingsverhaal niet kon kloppen. We wisselden even van gedachten daarover. De sfeer bleef echter uitstekend, want ik houd ook van dit soort opmerkingen.

Tijdens de klim vond diezelfde jongen het even heel eng. De klim naar de toren gaat namelijk niet over een mooie trap, maar langs verschillende ladders. Bij de derde ladder keek hij even heel bedrukt. Ik stak hem mijn hand toe, maar op datzelfde moment zong hij, heel serieus, zichzelf moed in met de woorden:  ‘We shall not be moved’.  Ik hielp hem naar de volgende ladder, maar ik wist niet wat ik hoorde. Het was zo grappig dat de jongen die ‘niet geloofde’ zichzelf moed inzong met een geloofslied.

Nu schijnt dit lied ook een lied te zijn van de aanhangers van Feijenoord. Misschien was hij dat ook wel. Dat zal ik hem nog eens vragen. In ieder geval, op dat moment, bij die derde ladder, hielp dit lied hem over zijn angst heen. En ja, wat is geloven al weer? Geloven is toch vooral vertrouwen?

(Juli 2013)

 

Best wel heavy

Begin augustus 2012 verscheen het tweede boek van Petra Boolman, met de titel ‘Best wel heavy’.  Petra was beeldend kunstenaar in Haarlem voor ze in 2002 een ongeluk kreeg en daarbij  ernstig hersenletsel opliep. Er is niets aan haar te zien. Toch is ze haar oude vaardigheid, tekenen, nagenoeg kwijt. Ze ontdekte in de loop van de tijd dat ze wel iets anders kon, namelijk boeken schrijven.  Petra woont  sinds een aantal jaren in Rijswijk Gld. en zodoende heb ik haar leren kennen.

Haar eerste boek ging over haar eigen geschiedenis met hersenletsel, oftewel NAH (Niet Aangeboren Hersenletsel).  Dit letsel kan ontstaan door bijv. een auto-ongeluk, of door een hersenbloeding of -infarct. De gevolgen geven soms zichtbare beperkingen, maar soms ook niet. En juist als er uiterlijk niets te zien valt, is er vaak sprake van misverstand en onbegrip bij omstanders. In haar beide boeken  gaat ze in op niet-zichtbaar NAH (in onderscheid van zichtbaar NAH).  En stond, zoals gezegd, in haar eerste boek haar eigen geschiedenis centraal, in haar tweede boek vertelt ze verhalen van lotgenoten en dan vooral over de problemen die zij hebben met hun niet zichtbare beperkingen.

Dit laatste boek is een indrukwekkend voorbeeld van hoe mensen, na bijv. een ernstig ongeluk, niet in een hoekje blijven zitten, maar weer opstaan om opnieuw hun, ‘bijgestelde, doelen proberen te verwezenlijken’, aldus de tekst op de binnenflap van het boek.

Die woorden ‘bijgestelde doelen’ bleven bij mij haken.  Al vanaf de eerste aankondiging van het boek, vielen die woorden me op.  Het leven voor mensen met niet-zichtbaar NAH is leven met ‘bijgestelde doelen’.   Die woorden waren goed gekozen. Tegelijk herkende ik in die woorden meer situaties waarin mensen moeten leven met  ‘bijgestelde doelen’.  Mensen zeggen namelijk wel  eens tegen me: ‘ Ik had me het leven  zo anders voorgesteld!’   En vaak gaat het dan over verlies van dierbaren, verlies van gezondheid of over het besef bepaalde kansen in het leven te hebben gemist. Kortom, veel mensen moeten leven met ‘bijgestelde doelen.’  En veel mensen kunnen dat ook, weliswaar met vallen en opstaan, maar toch.  Er is kennelijk voor mensen een oneindige bron van kracht.

Het boek van Petra Boolman is een ode aan mensen met niet-zichtbaar NAH die ‘niet bij de pakken neerzitten als het ‘best wel heavy ’ is’.  Zo eindigt de tekst op de binnenflap van haar boek. Ze draait in haar boek niet om de ernstige gevolgen heen van niet-zichtbaar NAH, maar laat ook de veerkracht van mensen zien. En daarmee is dit boek een boek voor ieder mens die, om welke reden ook, is vastgelopen. Zodat niemand bij de pakken neer blijft zitten.

ds. Gea van der Velde

Via www.boekenroute.nl kunt u informatie vinden over het boek van Petra Boolman. Zie ook www.petraboolman.nl

 

 

Vondst

Op een feestje van een paar weken geleden  sprak ik dorpsgenoot Martien Thijssen die zich bezig houdt met oude foto’s en landschapskaarten van Rijswijk. Hij vertelde mij dat hij via een databank in Rijswijk bij Den Haag een tekening had gevonden van de kerk van Rijswijk Gld., samen met het kasteel De Hoekenburg. De tekening was daar per ongeluk terecht gekomen. Hij beloofde me om me binnenkort die tekening te laten zien. De volgende dag stond hij al op mijn stoep met op zijn laptop de bewuste tekening. Tot mijn grote verbazing bleek het een tekening te zijn uit 1730. Gemaakt vanuit de uiterwaarden. Ik had al heel wat  tekeningen en foto’s gezien, maar nog nooit zo’n oude tekening. En dan de manier waarop. De kerk was getekend met een paar pennenstreken, maar zo herkenbaar. De toren was slank en niet plomp getekend. Het koor was niet precies recht achter het schip getekend, maar met een kleine afwijking naar links. Zoals ook in het echt. Het verschil tussen de hoogte van het koor en het schip was precies opgemerkt. Het was zo’n vreemde ervaring om de kerk te zien door de ogen van iemand uit 1730, die met zoveel liefde voor detail de kerk had getekend.  Toen ik die tekening zag was het  alsof  in een moment bijna drie eeuwen werden overbrugd: de typische schoonheid van de kerk was ook toen al opgemerkt.

Gea van der Velde

Januari 2012

 

 

 

Het blijft zo’n goed verhaal…

Dorpsgenoot Martien Thijssen verraste de vrijwilligers op de vrijwilligersavond met zijn foto’s en oude kaarten van Rijswijk. Veel was nieuw en nog nooit vertoond. De aandacht verslapte dan ook geen moment. De klap op de vuurpijl was echter de tekening uit 1728 van amateur-tekenaar Andries Schoenmaker en het anonieme uitgewerkte dorpsgezicht n.a.v. deze tekening uit circa 1730. De aanwezigen kregen van beide tekeningen een kopie in het oorspronkelijke formaat (soort grote ansicht). Iemand zei: ‘Die laat ik inlijsten!’ Iedereen was onder de indruk bij het zien van tekeningen van zo’n driehonderd jaar geleden, met kerk en kasteel De Hoekenburg in een mooi zomers landschap. Alsof je even een reis maakt door de tijd.

En het blijft zo’n goed verhaal. Dankzij de speurzin van Martien is deze tekening namelijk gevonden in de beeldbank van Rijswijk Den Haag. Men dacht daar dat het om een fantasietekening ging van Rijswijk Den Haag!

Hieronder de tekening die gemaakt is n.a.v. de amateurtekening (zie boven ‘Vondst‘):

Gea van der Velde

Zomer 2012

————————-

 

Kloktijd

Vanuit het keukenraam van de pastorie kijk ik recht op de wijzerplaat aan de noordkant van de toren.

Daaronder staat het jaartal 1887. In dat jaar is de klokkentoren vernieuwd en is de oude luidklok uit 1626 vervangen. Op de luidklok uit 1887 staat de tekst ’k Roep ten gebede, ‘k vermaan tot vrede’.  Het is een tekst van de bekende dichter en predikant Nicolaas Beets. Zijn zoon, Cornelis Beets, was hier predikant in de tijd van de vernieuwing van de luidklok en het installeren van het uurwerk met de wijzerplaten.  Dit uurwerk staat overigens nog steeds in zijn oorspronkelijke staat in de toren. Het is een prachtig mechaniek uit de 19e eeuw.

Bijzonder aan deze wijzerplaat uit 1887 is dat er maar één wijzer op zit. Alleen de grote wijzer. Met de minuten moet je dus een beetje gokken. De wijzerplaat met maar één wijzer is duidelijk een wijzerplaat uit de tijd van voordat de treinen er waren en op de minuut vertrokken.

Aan de noord en zuidkant zijn de wijzerplaten uit 1887. Aan de oost en westkant uit 1976. Vanaf toen werkte de klok elektrisch. Op deze twee wijzerplaten zijn twee wijzers te zien. Je kunt nu precies de minuten aflezen.

Deze wijzerplaten, uit de tijd van voor de trein, en uit de tijd daarna, deden me denken aan hoe verschillend we met tijd omgaan. Er is zelfs een periode geweest dat er geen uurwerk was. De klok luidde gewoonlijk voor de gebeden, zoals nog steeds in de zuidelijke landen bij het ochtend, middag en avondgebed. In uitzonderlijke gevallen luidde de klok bij noodweer of in tijden van oorlog. De uren, laat staan de minuten, waren eens veel minder belangrijk. De tekst van Nicolaas Beets ‘k Roep ten gebede, ‘k vermaan tot vrede’ herinnert aan die tijd dat de klok alleen luidde voor het gebed en in tijden van rampspoed.

De wijzerplaat uit 1887 met die ene wijzer, van voor de tijd van de trein, herinnert me eraan hoe betrekkelijk onze beleving van de tijd is. Nog niet zo lang geleden gaf men niet om een minuut. Nu komt het vaak op minuten aan. Nog langer geleden keek men niet op een uur. De tijd werd slechts ingedeeld naar de gebedstijden.

In de kerktoren, met luidklok, uurwerk en wijzerplaten zit zo een hele geschiedenis verborgen. Een geschiedenis van leven met de tijden van het gebed tot en met een leven waarin we onze tijd goed moeten besteden en tijd ‘geld’ is. In zo’n kerktoren wordt onze geschiedenis zichtbaar. Van grofweg een geschiedenis waarin de kerk centraal staat naar een geschiedenis waarin de mens centraal staat.

De luidklok, ooit van ver vóór de tijd van uren en minuten, het mechanische uurwerk, de wijzerplaat van 1887 en die van 1976 zitten allemaal in de toren. Die hele geschiedenis, al die verschillende tijden, horen bij ons. De ene tijd is niet mee dan de andere. Vroeger was bijvoorbeeld niet alles beter. Alles van vroeger is ook niet achterhaald. De moderne tijd is evenmin zaligmakend, al heeft ze ons veel goeds gebracht. De klokkentoren houdt al die tijden bij elkaar.

Met dank aan dhr. P.R.  van Malsen.

ds. Gea van der Velde

Foto: A. Schöne

 

Comments are closed.